Er zijn van die mysterieuze oerwetten die de mensheid al sinds de uitvinding van het wiel in hun greep houden. Zoals: toast valt altijd met de jam naar beneden, de file staat altijd aan jouw kant van de snelweg, en zodra de zon vijf minuten schijnt, verandert de gemiddelde man in een neandertaler met een tang. Ja, dames en heren, het is weer barbecue-seizoen. Of zoals mannen het liever noemen: het jachtseizoen op vleespakketten van de supermarktslager.
De scène is altijd hetzelfde. Terwijl zij de avond plant, boodschappen doet, de kinderen temt en drie salades in elkaar flanst, komt hij als een soort gesjeesde pyromaan de tuin in gesjokt met een krat bier en een blik alsof hij net door Discovery Channel gecast is voor Naked and Afraid: De Suburbia Editie. Hij grabbelt naar de barbecue-aansteker alsof het Excalibur is, en roept iets als: “Laat mij dit maar doen, schat. Ik heb dit onder controle.” (Spoiler: hij heeft helemaal niks onder controle.)

Het aansteken van de barbecue is een ceremonie op zich. Eerst twintig minuten friemelen met aanmaakblokjes, dan een liter spiritus (die hij “per ongeluk” op de grasmaaier heeft gevonden), gevolgd door een steekvlam die kortstondig de wenkbrauwen van de buurman wegvaagt. Maar hé, dat hoort erbij. Vuur maakt man. Verbrande armharen? Teken van toewijding.
En terwijl hij zich bezighoudt met het ritueel van het omdraaien van speklapjes alsof het heilige relikwieën zijn, is zij binnen bezig met het hakken van tomaatjes, het ontpitten van avocado’s (zonder trauma’s op te lopen), en het bedenken van een manier om deze maaltijd toch nog enigszins voedzaam te maken. Zij maakt de salade, mensen. Met zorg. Met kleur. Met vitaminen.

Maar zodra het vlees klaar is — “nou ja, klaar” — stormt hij triomfantelijk naar binnen met een aluminium schaal vol zwartgeblakerde proteïne. Trots als een kind dat z’n eerste drol op het potje heeft gelegd. “Eet smakelijk!” roept hij. En iedereen liegt hem vol overtuiging toe: “Wat lekker, zeg!” Alsof die karbonade niet net uit de hel zelf is opgediept.
En o wee als iemand suggereert dat het een tikje droog is. “Ja, dat is de rooksmaak, dat hoort zo,” zegt hij, terwijl hij het weggespoeld met een halve liter pils. Ja hoor, chef Thermodynamica is weer bezig.
Ondertussen kijkt zij toe, glimlachend. Niet omdat ze onder de indruk is, maar omdat ze weet dat zij straks de afwas mag doen. En dat hij, uitgeput van het ‘koken’, als een gestrande zeehond op de loungeset neerploft om zijn ‘werk’ te bewonderen.

Barbecueën is geen koken, mensen. Het is een excuus om in een korte broek bier te drinken en te doen alsof vlees draaien een nobele kunst is. En zolang vrouwen de salade maken en mannen het vuur aanbidden alsof ze net het wiel hebben heruitgevonden, verandert er he-le-maal niks.
Maar hé: wie ben ik om eeuwenoude tradities te doorbreken? Ik schrijf dit tenslotte met een glas rosé in de hand, terwijl mijn buurman zijn vierde hamburger verkoolt tot wat inmiddels juridisch gezien steenkool is.
Lang leve de zomer. Lang leve het vleesritueel. En lang leve de salade, want dat is het enige wat de boel nog een beetje verteerbaar houdt.
