De sommelier als druivengoeroe

Cornelis Heystek 23 oktober 2025 #Heystek

Laten we eerlijk zijn, er zijn twee soorten mensen: zij die een glas wijn drinken en “lekker” zeggen, en zij die in drie slokken meer woorden kunnen produceren dan de Statenvertaling van de Bijbel telt. De sommelier behoort steevast tot die laatste, hoogverheven categorie. En met een ‘sommelier’ bedoel ik uiteraard niet die vriendelijke man die je na lang zoeken een fatsoenlijke fles onder de €30 kan aanwijzen, maar de Druivengoeroe: de priester van het gehemelte.

Deze meesters van de terroir betreden de eetzaal met de ceremonieuze tred van een kardinaal die het conclaaf opent. Ze dragen hun tastevin (proefglaasje) alsof het de Heilige Graal is, gevuld met het bloed van een zeldzame, maagdelijke Bourgondische pinot. Hun missie: ons, het onwetende plebs, te redden van de zonde van de ondoordachte slok.

Zodra de fles – veel te duur, altijd – ontkurkt is, begint de show. De neus, die van nature bedoeld is om gevaar te ruiken of om je te vertellen dat de melk over de datum is, wordt nu ingezet voor een hoogstaandere taak. De wijn wordt gewerveld alsof de aarde moet stoppen met draaien.

Dan volgt de litanie.

Ik heb ooit een Goeroe horen beweren dat een jonge Sancerre ‘de melancholie van een vroege ochtendmist over een vers geploegde kiezelgrond aan de Loire’ in zich droeg. Melancholie! Ik proefde vooral zure appel. Maar wie ben ik, met mijn simpele, ongetrainde smaakpapillen, om de metafysica van de druif in twijfel te trekken?

De ware Sommelier Sapiens negeert eenvoudige smaken. Zeg nooit ‘fruitig’. De Goeroe zal u corrigeren met: “Een hint van wilde bosaardbei, geplukt door de hand van een vrome kluizenaar, vermengd met de scherpe nostalgie van een pas geslepen potloodpunt.”

Daarna komt het mondgevoel. Men spreekt niet van “drinkbaar” of “zwaar”. Nee, het gaat over de structuur. “De tannines dansen als lichtvoetige nymfen op de tong, met een textuur die doet denken aan natte kiezelstenen in de ochtendzon.” Ik knikte, maar dacht vooral aan de rekening.

En dan, de climax: de afdronk. Die mag nooit abrupt zijn. De afdronk moet “een symfonie van eindeloze echo’s” zijn, een “fluistering van vergane glorie die de zintuigen streelt tot ver na de laatste druppel.” Wat neerkomt op: de smaak blijft hangen, net als de verontrustende gedachte dat u zojuist een jaarsalaris aan wijn heeft besteed.

Maar we moeten hen koesteren, deze Druivengoeroes. Want zonder hen zouden we gewoon drinken. We zouden plezier hebben. We zouden geen minuut besteden aan het analyseren van de ‘voetjes’ (de tranen van Bacchus) op de rand van het glas, die ons schijnen te vertellen dat we te weinig verdienen om dit überhaupt te mogen proeven.

Hun sarcasme is onze opvoeding. Hun jargon is onze boetedoening. Dus de volgende keer dat u de Sommelier hoort spreken over ‘een explosie van minerale complexiteit met tonen van pas gemaaid gras en de vergeten liefde van een Franse schooljuffrouw’, knik dan eerbiedig. En bestel daarna stiekem een ijskoud biertje. Puur om de Goeroe te herinneren dat het leven soms ook gewoon ‘lekker’ mag zijn.

Proost op de eenvoud!