Je komt voor een ontspannen diner. Lekker eten, een goed glas wijn, even ontsnappen aan de waanzin van de wereld. Maar dan… sluipt hij naderbij. Zacht, elegant, met de tred van een prediker in een stille retraite. Een sommelier. Of, zoals ik hem tegenwoordig noem: de druïde der druiven, hogepriester van het ongefilterde evangelie.

Hij buigt licht, fluistert alsof we zojuist een geheim genootschap zijn binnengestapt:

“Mag ik u iets heel bijzonders aanraden? Een oranje wijn uit Georgië, spontaan vergist, ongesulfiteerd, negen maanden gerijpt in klei.”

Dat klinkt meer als een archeologische vondst dan een drankje.

Ik geef toe: uit pure lafheid stemde ik toe. Het glas arriveerde. De wijn was troebel, lichtoranje en bevatte — vermoedelijk — de overblijfselen van een kleine druivenboerderij. De geur? Denk: geitenstal na regen, met een zweempje schimmelkazen die hun beste tijd in 1998 hadden.

“U proeft de levendigheid?”,

vroeg de sommelier met een blik die ergens tussen extase en Stockholm-syndroom hing. Ik proefde vooral spijt. En iets wat leek op kamillethee, maar dan uit de afvoer.

De man boog zich over de tafel en begon. Niet over de wijn, nee — over zijn levensmissie. Zijn pad. Hoe hij op pelgrimstocht ging naar Slovenië, een wijnmaker ontmoette die op blote voeten de druiven kneust en alleen oogst bij wassende maan. Ik zat er inmiddels bij als iemand die per ongeluk een Scientology-informatieavond is binnengelopen.

Hij sprak over interventievrij vinifiëren met de ernst van een arts in oorlogstijd. Ik vroeg of hij ook iets had dat gewoon lekker was, iets met fruit of een beetje body. Hij trok wit weg. Alsof ik net had gesuggereerd om de wijn met een ijsklontje te serveren. Of erger: met spa rood.

Toen begon het pas echt:

“De wijn leeft. Hij ademt. Hij verandert in het glas.”

Ja, en dat doet yoghurt ook. Maar daar vraagt niemand 16 euro per glas voor.

Kijk, ik waardeer passie. Maar als ik iemand 20 minuten moet aanhoren over de ziel van een wijn, wil ik op z’n minst wéten dat er een exorcisme nodig was om ‘m drinkbaar te maken.

Kortom: de volgende keer dat ik uit eten ga en de sommelier begint over “een boerse, ongefilterde expressie van het terroir”, weet ik genoeg. Ik zit midden in een sektarische rekruteringscampagne.

En ik drink gewoon bier.