Beste lezers, bereidt u voor op een culinair drama van epische proporties. Er is een nieuwe trend in opkomst die mijn eetlust sneller doet verdwijnen dan een fles wijn in een studentenhuis: honden in restaurants. Ja, u leest het goed. Die harige, kwijlende, vlooienbalen die normaal gesproken in de achtertuin hun behoefte doen, hebben nu een stoel aan onze eettafels veroverd. En nee, ik heb het niet over hulphonden – die nobele viervoeters verdienen een standbeeld, geen column. Ik heb het over Fikkie, Bello, Kakko en andere harige indringers die onze eetervaring veranderen in een circusact.
Laten we beginnen met de logica van deze trend. Want wie denkt er nu: “Weet je wat mijn dinerervaring compleet maakt? Een hond die met zijn snuit in mijn soep duikt?” Serieus, als ik een harig wezen naast mijn bord wil, bestel ik wel een schaapskotelet. Maar nee, tegenwoordig moet ik mijn tafel delen met een beest dat net een modderbad heeft genomen en nu mijn risotto als zijn persoonlijke snuffelparadijs ziet. “Ach, hij doet niets!” roept het baasje, terwijl Fikkie op dat moment mijn servet als kauwspeeltje gebruikt. Gefeliciteerd, ik heb zojuist een portie hondenkwijl bij mijn voorgerecht gekregen. Smakelijk.
En dan de hygiëne. Oh, wat een feest. Ik bedoel, wie houdt er niet van een beetje hondenharen in zijn lasagne? Of een hond die besluit dat jouw stoel de perfecte plek is om zijn achterwerk te krabben? Ik heb wel eens in een restaurant gezeten waar een hond zijn poot tegen de ober optilde alsof hij wilde zeggen: “Doe mij nog een glas water, maar dan in mijn bak.” Terwijl ik probeerde te genieten van mijn tiramisu, kreeg ik een livevoorstelling van een vlooienballet. Bedankt, maar ik had liever een opera. Of een ontsmettingsmiddel.
En laten we niet vergeten: honden hebben geen manieren. Ze blaffen, ze janken, ze schooien om eten alsof ze de chef-kok persoonlijk kennen. Ik heb wel eens een hond zien zitten die zo hard blafte dat mijn glas wijn ervan trilde. “Hij is gewoon enthousiast!” zei het baasje. Ja, en ik ben enthousiast om mijn maaltijd in vrede te eten, maar dat zit er blijkbaar niet in. Want Fikkie heeft besloten dat mijn steak zijn nieuwe kauwspeeltje is. Wie heeft er nog een mes en vork nodig als je een hond hebt?

Natuurlijk, er zijn mensen die zeggen: “Maar Cornelis, honden maken mensen gelukkig!” Dat zal best, maar mijn geluk eindigt waar de hondenharen op mijn bord beginnen. Als je zo nodig je harige vriend wilt meenemen, ga dan lekker naar een hondenpark of een dierenasiel. Restaurants zijn voor mensen die willen genieten van goed eten, niet voor mensen die hun huisdier willen showen alsof het een Michelin-ster verdient. Want laten we eerlijk zijn: als Fikkie een ster krijgt, geef mij dan maar een vuilnisbak.
Dus, beste restaurateurs, doe ons een plezier: houd de honden buiten. Laat Fikkie thuis, waar hij thuishoort, en laat mij in vrede genieten van mijn maaltijd. En voor degenen die denken dat ik overdrijf: probeer maar eens te dineren naast een hond die besluit dat jouw dessert zijn nieuwe speeltje is. Dan praten we verder. Tot die tijd: bon appétit, zonder blaf.
