Ooit was eten iets waar je blij van werd. Iets waar je smaakpapillen van gingen dansen, iets waar je oma nog met liefde en boter aan werkte. Maar tegenwoordig is eten een moreel statement geworden. En het statement luidt: smaak is verdacht, maar textuur is heilig.

Laatst werd ik uitgenodigd voor een plant-based dining experience. Let op de woordkeuze: niet diner, maar experience. Dat is marketingtaal voor: het zal niet vullen, het zal niet smaken, maar het zal wel veel kosten.

De amuse was “krokante luchtige bonenstructuur met umami-powder”. Het smaakte alsof iemand een beschimmelde rijstwafel had besprenkeld met gemalen schoenzool. Maar de ober — uiteraard met snor, tatoeage van een peulvrucht, en blik van superieure berusting — sprak erover alsof het de heruitvinding van eten zelf was.

Daarna: tofu. Natuurlijk. Tofu die “gefermenteerd, gemarineerd en gerookt op appelhout” was.
Wat er uiteindelijk op mijn bord lag, leek op een wit sponsje met een identiteitscrisis. Als tofu een moeder had, zou ze zeggen: “Kind, wat hebben ze met je gedaan? Waar zijn je sojawortels gebleven?” Maar niemand aan tafel klaagde. Integendeel. Iedereen zat te knikken als in een sektebijeenkomst: “Zo puur. Zo bewust. Zo… minimaal.” Ik dacht alleen: zo smaakloos.

De hoofdgang: jackfruit rendang. Kijk, ik ben niet tegen plantaardig eten. Echt niet. Maar dit was geen rendang. Dit was draderige pulp in een saus die bedoeld was om op vlees te lijken, maar die eindigde als kruising tussen karton en verdriet. Als je jackfruit rendang noemt, noem ik m’n fietsslot voortaan ook een schnitzel.

En dan komt de parade van excuses: “Het is niet bedoeld om vlees na te bootsen, het is een herinterpretatie.” Nee. Het is een poging tot vlees zonder de lol. Zoals alcoholvrije wijn of relaties zonder seks: technisch mogelijk, maar wie wordt er blij van?

Het dessert — uiteraard vegan — was een panna cotta van haverroom en agar-agar, die de consistentie had van siliconenkit en de smaak van verontwaardiging. De chef kwam vragen of alles naar wens was. Ik antwoordde: “Ja hoor, als je smaak als overbodige luxe beschouwt.” Hij glimlachte. Hij dacht dat ik het als compliment bedoelde.

En toen kwam de rekening. Want natuurlijk betaal je voor het geweten. Niet voor de ingrediënten -die kosten niks- maar voor de ideologie, de morele superioriteit en het feit dat alles op de kaart een voetafdruk heeft van -12.

Kortom: plantaardig is niet het probleem. Het probleem is dat plantaardig eten tegenwoordig zó serieus genomen wordt, dat het nergens meer naar mag smaken. Alsof plezier crimineel is, en boter een oorlogsmisdaad.