Er zijn van die culinaire trends waarvan je denkt: wie heeft dit bedacht en waarom mocht niemand hem tegenhouden? Shared dining is er zo eentje.
Voor wie de afgelopen jaren onder een klantronomische steen heeft gewoond: shared dining betekent dat je geen eigen voorgerecht, hoofdgerecht en dessert krijgt, maar een aantal kleine bordjes op tafel zet die iedereen met elkaar moet delen. Het concept is inmiddels zo ingeburgerd dat het nauwelijks nog een hype mag heten. (Jackrabbit)
Het klinkt prachtig. Samen eten. Samen proeven. Samen genieten.

En vooral: samen vaststellen dat er eigenlijk te weinig eten is.
Want dat is het wonderlijke aan shared dining. Vroeger bestelde je een tournedos en wist je waar je aan toe was. Tegenwoordig krijg je een plankje met drie plakjes biet, een halve artisjok, vier druppels saus en iets wat volgens de chef “een verrassende crunch” moet zijn.
“Dat is om te delen.”
Met hoeveel mensen?
“Met vier.”
Kijk. Daar begint de ellende.
Shared dining is namelijk een prachtig concept als iedereen aan tafel beschaafd is, dezelfde smaak heeft, geen honger heeft en bereid is democratisch te onderhandelen over het laatste stukje buikspek.
Maar zodra iemand zegt: “Ik vond die coquille eigenlijk wel lekker”, begint de strijd.
Want shared dining maakt van keurige restaurantbezoekers plotseling voedselpolitici.
Wie krijgt het laatste stukje?
“Neem jij maar.”
“Nee hoor, jij.”
“Echt, neem maar.”
“Nou, als je erop staat…”
En ondertussen zit iedereen met zijn vork boven het bord alsof de NAVO-top zojuist is begonnen.

De chef kijkt tevreden toe.
Hij heeft immers een “sociale eetervaring” gecreëerd.
Dat is tegenwoordig belangrijk. Het gaat niet meer alleen om eten. Nee, het moet een ervaring zijn. Een reis. Een ontdekkingstocht. Een moment van verbinding.
Vroeger noemden we dat gewoon: samen uit eten gaan.
Maar daar houdt het niet op.
Het mooiste aan shared dining is de portiegrootte. Die is vaak gebaseerd op een geheim wiskundig systeem dat uitsluitend toegankelijk is voor chefs, accountants en mensen die ooit een cursus “Food Concept Development” hebben gevolgd.
Op de kaart staat:
Geroosterde bloemkool – € 14
Je denkt: prima.
Dan komt er een bordje waarop een bloemkoolroosje ligt dat ongeveer dezelfde afmetingen heeft als een vergeten kerstbal.
“Is dit voor één persoon?”
“Nee hoor, dit is om te delen.”
Met wie?
“Met z’n vieren.”
Dan kost die bloemkool dus € 56 als je met vier mensen daadwerkelijk een maaltijd wilt hebben.

Ik begin langzaam te begrijpen waarom shared dining zo populair is bij restaurateurs.
Het is namelijk een buitengewoon efficiënte manier om minder eten voor meer geld te verkopen.
Natuurlijk zijn er restaurants waar shared dining fantastisch werkt. Waar de gerechten royaal zijn, de smaken kloppen en het delen daadwerkelijk leuk is. Daar heb ik niets tegen.
Maar er is ook een variant ontstaan waarbij de chef vooral deelt in de aandacht en de klant vooral deelt in de rekening.
En dan komt het moment waarop je vraagt of er misschien nog wat brood is.
“Dat kan natuurlijk.”
“Mooi.”
“Dat is dan € 4,50.”
Uiteraard.
Het brood is tegenwoordig waarschijnlijk met de hand geaaid door een lokale zuurdesemfluisteraar.
Toch blijft de horeca ons vertellen dat shared dining draait om verbinding.
Daar ben ik het mee eens.
Het verbindt mensen inderdaad.
Vooral in hun gezamenlijke teleurstelling.
Want niets schept zo’n band als met vier volwassenen naar een leeg bordje kijken en gezamenlijk constateren:
“Was dit het?”
Ja.
Dat was het.
Maar gelukkig hebben we het gedeeld.
Want als we één ding geleerd hebben van shared dining, is het wel dat je tegenwoordig niet meer genoeg hoeft te eten om een goede avond te hebben.
Je moet vooral kunnen doen alsof je genoten hebt.
