Er was ooit een tijd waarin eten vooral bedoeld was om op te eten. Dat waren donkere tijden. Barbaars bijna. Een tomaat was een tomaat. Een brood was een brood. Een wortel was een wortel.

Gelukkig hebben marketeers, foodbloggers en mensen die hun zuurdesemstarter een voornaam geven daar een einde aan gemaakt.

Tegenwoordig kun je geen menukaart meer openslaan zonder het gevoel te krijgen dat je per ongeluk een proefschrift in voedingssociologie leest.

Vier woorden duiken daarbij steeds weer op. Vier woorden die inmiddels meer calorieën verbranden door het uitspreken ervan dan door het eten zelf.

Umami: het woord voor mensen die graag naar zichzelf luisteren

Laten we beginnen met de onbetwiste wereldkampioen culinair gewichtig doen: umami.

Ik weet het. Het bestaat echt. Het is wetenschappelijk onderbouwd. Het is een basissmaak.

Maar dat geldt ook voor zout.

En toch heb ik nog nooit iemand op een verjaardag horen zeggen:

“Wat mij vooral aanspreekt aan deze kaasstengel is de fascinerende zoutdimensie.”

Nee.

Dat zou krankzinnig klinken.

Maar zodra iemand “umami” zegt, knikt iedereen ineens alsof er een Nobelprijs wordt uitgereikt.

“Deze jus heeft enorm veel umami.”

“Ik proef lagen van umami.”

“De umami is hier prachtig geïntegreerd.”

Rustig maar, Sherlock. Het is een gehaktbal.

Het mooie is dat umami tegenwoordig wordt gebruikt voor ongeveer alles wat niet smaakt naar karton.

Een stoofpot? Umami.

Een pizza? Umami.

Een blokje oude kaas? Ongelooflijke umami.

Een schoenzool met ketjap? Verrassend veel umami.

Het woord is verworden tot een culinair rookgordijn voor mensen die niet precies weten wat ze proeven maar wel graag intelligent willen overkomen.

Artisanaal: omdat “gemaakt door mensen” blijkbaar een verkoopargument is

Dan hebben we “artisanaal”.

Een woord dat klinkt alsof iemand “ambachtelijk” probeerde uit te spreken na drie glazen natuurwijn.

Volgens de marketingafdeling betekent artisanaal dat iets met liefde, aandacht en vakmanschap is gemaakt.

Volgens mij betekent het meestal:

“We hebben de prijs verdubbeld en hopen dat niemand vragen stelt.”

Een brood van €2,50 is brood.

Een brood van €8,95 wordt ineens een artisanaal gefermenteerd erfgoedproduct.

Waarom?

Omdat iemand een houten plank in de buurt heeft gelegd.

Je ziet het overal.

Artisanaal ijs.

Artisanale kroketten.

Artisanale mayonaise.

Artisanale popcorn.

Artisanale waterkers.

Op dit tempo krijgen we binnenkort artisanale paperclips en artisanaal kraanwater.

Wat ik vooral bewonder, is dat het woord altijd suggereert dat de maker persoonlijk heeft geleden voor het product.

Alsof de bakker om vier uur ’s nachts een innerlijke strijd met het deeg heeft uitgevochten.

“Deze croissant bevat tonen van boter, vakmanschap en emotionele beschadiging.”

Plant-based: groenten voor mensen die zichzelf graag feliciteren

Nu komen we bij plant-based.

Een term die vooral is bedacht omdat “vegetarisch” niet voldoende morele hoogte meer bood.

Vegetarisch was een eetpatroon.

Plant-based is een persoonlijkheidskenmerk.

Je eet niet langer een salade.

Je neemt deel aan een beweging.

Een levensvisie.

Een ideologische conferentie met kikkererwten.

Mensen die het woord gebruiken kijken vaak alsof ze persoonlijk verantwoordelijk zijn voor het smelten van de poolkappen wanneer jij een gehaktballetje bestelt.

“Deze lunch is volledig plant-based.”

Fantastisch.

Mijn ficus is dat ook.

Het mooiste is dat sommige producten inmiddels met trots verkondigen dat ze plant-based zijn terwijl ze voor 98 procent uit ingrediënten bestaan die altijd al planten waren.

Plant-based wortelen.

Plant-based appels.

Plant-based aardappelen.

Wat een opluchting.

Je moet er toch niet aan denken dat er ineens rundvlees uit een prei groeit.

Locavorisme: eten met een navigatiesysteem

En dan het absolute kroonjuweel van culinaire zelfoverschatting: locavorisme.

Dat is lokaal eten, maar dan met een woord dat klinkt als een zeldzame darmparasiet.

Locavoristen praten over afstanden zoals wijnliefhebbers over terroir.

“Deze asperges zijn slechts zeven kilometer gereisd.”

Wat bijzonder.

Mijn fiets ook.

“Deze aardbeien komen van een boerderij op twaalf minuten afstand.”

Geweldig.

En hoe ver was de boer gereisd?

En de tractor?

En de verpakking?

En de boekhouder?

Locavorisme heeft iets religieus gekregen.

Niet eten uit de buurt is bijna een morele tekortkoming.

Een mango uit Peru wordt behandeld alsof hij persoonlijk verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde.

Ondertussen staan dezelfde mensen in januari vrolijk een avocado te pureren omdat sommige principes blijkbaar seizoensgebonden zijn.

De menukaart van de toekomst

Ik vrees dat het alleen maar erger wordt.

Binnenkort bestel je geen soep meer.

Dan krijg je:

“Een artisanaal vervaardigde, plant-based, hyperlokale umami-ervaring geïnspireerd door regeneratieve terroirprincipes en circulaire voedselnarratieven.”

En dan zet de ober een kom tomatensoep voor je neer.

Voor €18,50.

Exclusief brood.

Dat brood is namelijk artisanaal.

En uiteindelijk blijft er maar één vraag over.

Niet hoeveel umami erin zit.

Niet hoe lokaal het product is.

Niet hoe plant-based de levensvisie van de wortel was.

Maar gewoon de meest ouderwetse, achterhaalde en tegenwoordig bijna revolutionaire vraag van allemaal:

Is het lekker?

Want als het antwoord daarop nee is, dan kun je het van mij gerust duurzaam, circulair, regeneratief, artisanaal, plant-based, lokaal, biodynamisch, hyperauthentiek en umamirijk noemen.

Het blijft gewoon vies.