Oliebollen op oudjaarsavond hebben een heilig nut: ze zorgen ervoor dat niemand hoeft na te denken.
Het is geen eten, het is een ritueel in vet. Een collectieve afspraak dat we op 31 december massaal doen alsof dit ineens wél lekker is. De rest van het jaar zou je iemand die dit serveert na het diner laten opnemen. Nu heet het “traditie”.
Ze zijn ook functioneel. Oliebollen leggen een isolatielaag in je maag waar zelfs champagne en goedkope prosecco niet doorheen komen. Zie het als piepschuim voor je lever. Beschermend. Demping. Niet fraai, wel noodzakelijk.

Verder zijn ze perfect slecht. Altijd te vet, te slap of te droog. Nooit precies goed. En tóch eet je er drie. Want na de tweede maakt het niet meer uit. Je zit er al in. Net als bij oudjaarsavond zelf.
Het gesprek helpt ook niet. Oliebollen zijn een excuus om je mond vol te hebben wanneer iemand zegt: “Zo… wat een jaar hè.” Met een oliebol in je hand kun je knikken, kauwen en langzaam sterven zonder te hoeven reageren. Dat is sociale intelligentie.
En die poedersuiker? Dat is geen garnering, dat is camouflage. Om te verbergen dat je iets eet wat qua textuur verdacht veel lijkt op een spons die in een snackbar is gevallen. Je hele outfit zit eronder. Vooral zwart. Altijd zwart. Alsof de oliebol wil dat iedereen weet wat je hebt gedaan.

Kortom: oliebollen zijn geen lekkernij. Ze zijn een maatschappelijk verdovingsmiddel.
Ze maken oudjaarsavond draaglijk. Zonder oliebollen zouden we moeten praten. Over gevoelens.
En daar is niemand voor gefrituurd.
