Er was een tijd dat je een restaurant binnenliep en vroeg: “Heeft u nog een tafel?”
En dan zei iemand: “Ja.”
Of: “Nee.”

Die tijd is voorbij. Die tijd is dood. Vermoord door apps, algoritmes en chefs met een visie.

Tegenwoordig is een tafel bemachtigen geen reservering meer, maar een traject. Een spirituele beproeving. Een kruisverhoor. Het voelt alsof ik bij de NASA solliciteer, maar dan voor een stoel naast de wc-deur.

Eerst de app. Natuurlijk een app. Niemand neemt meer de telefoon op, want bellen is agressief. Bellen is grensoverschrijdend. De app vraagt niet alleen wanneer je wilt eten, maar vooral wie je bent als mens.
Aantal personen. Allergieën. Dieetwensen. Morele overtuigingen.
“Bent u bereid zich over te geven aan de visie van de chef?”
Nee, maar ik heb honger.

Dan volgt de wachttijd. Niet op de tafel – op de bevestiging. Want je verzoek is ontvangen. Alsof je om asiel hebt gevraagd. Drie dagen later krijg je een mail:
“Gefeliciteerd, u bent geselecteerd.”
Ik moest mijn BKR-registratie en een handgeschreven motivatiebrief opsturen om een tafeltje te krijgen naast de wc-deur. Maar hé, de ober sprak wel vloeiend concept-taal.

En dan de voorwaarden. Altijd de voorwaarden.
Time slot: 90 minuten.
Niet ongeveer. Niet ongeveer anderhalf uur. Nee.
Negentig minuten.
Vanaf het moment dat je jas de stoel raakt tot het moment dat je subtiel, maar beslist wordt weggekeken.

Er hangt tegenwoordig een onzichtbare kookwekker boven elke tafel. Je hoort hem niet, maar je voelt hem.
Na 30 minuten: vriendelijke glimlach.
Na 60 minuten: lege blikken worden sneller weggehaald.
Na 80 minuten: de rekening wordt alvast voorgedrukt.
Na 90 minuten: “Zal ik de jassen alvast halen?”

Nee. Ik zit nog.
“Dat begrijp ik, maar we werken met tijdsloten.”
O ja? Ik werk met honger.

En dan de etiquette. Fine dining is geen eten meer, het is toneel. Je mag niets fout doen. Je mag vooral niets vragen.
“Mag ik wat zout?”
– stilte –

“De chef heeft dit gerecht exact zo bedoeld.”
Prima. Dan bedoel ik exact dat ik het flauw vind.

De ober introduceert elk gerecht alsof hij een TED-Talk geeft.
“Dit is een interpretatie van zee.”
Het is een hapje dat eruitziet als een spons en smaakt naar teleurstelling. Maar ik knik. Want je knikt. Altijd knikken. Dat is onderdeel van de deal.

Water? Alleen gefilterd, gerijpt, levend of met een verhaal. Gewoon kraanwater is er wel, maar alleen als je het fluisterend vraagt, met schaamte in de ogen.
Brood? Dat is geen brood. Dat is een fermentatieve expressie. En ja, dat kost extra.

En altijd dat gevoel: opschieten. Genieten, maar wel snel. Liefst binnen het kader. Liefst zonder al te veel plezier.
Lachen mag, maar niet te hard.
Blijven zitten mag, maar niet te lang.
Ontspannen? Absoluut niet.

Na afloop sta je weer buiten. 90 minuten armer, 200 euro lichter, licht ondervoed en mentaal gesloopt.
“Wat vond je ervan?” vraagt iemand.
Je zegt: “Heel interessant.”
Dat betekent: ik had onderweg naar huis eigenlijk nog honger.

Misschien word ik oud. Misschien ben ik niet meer de doelgroep. Maar ik mis het restaurant waar je welkom was zonder selectieprocedure. Waar tijd geen vijand was. Waar de ober gewoon ober was en geen culinaire gids.

Ik wil geen rodeo.
Ik wil geen app.
Ik wil geen time slot.

Ik wil eten.
En daarna nog even blijven zitten.
Zonder aftellen.