Slow food. Het klinkt als een warme deken. Een rieten mand. Een oma met bloem op haar handen. Een stoofpot die acht uur op het vuur staat terwijl jij filosofisch naar de regen kijkt met een glas natuurwijn in de hand.

In werkelijkheid is slow food vooral: druk, stress, schuldgevoel en een beginnende tenniselleboog van het vijftiende zuurdesembrood.

Want kijk, koken was ooit iets eenvoudigs. Je had honger, je maakte eten, je at het op. Misschien dronk je er iets bij. Einde.

Maar tegenwoordig moet alles langzaam. Alles moet bezield. Alles moet authentiek. En vooral: alles moet gefotografeerd, gepost en becommentarieerd worden door drie mensen die al jaren “foodfluencer” op hun LinkedIn zetten zonder dat iemand precies weet wat dat betekent.

Slow food is de nieuwe prestatiedruk.

We zijn van fastfood naar faalangstfood gegaan.

Je maakt geen pasta meer. Nee. Je maakt “handgerolde pici met een reductie van vergeten tomaat en een snufje wild geplukt zout.”
Je bakt geen brood. Je gaat “werken aan je starter”. Alsof je een kwetsbare relatie onderhoudt met een pot slijm die je iedere ochtend moet voeren en geruststellen.

“Hoe gaat het met je desem?”
Ja, hoe denk je? Het is een emmer bacteriën, Karen.

En dan heb je het terroir. Het terroir dat overal bij moet.
Niet alleen bij wijn, nee, slow food heeft terroir gekidnapt en overal tegenaan geplakt. Het ei heeft terroir. De wortel heeft terroir. De kip had terroir, maar die is inmiddels dood, dus die maalt er niet meer om.

En als jij durft te zeggen dat je het verschil niet proeft tussen een aardappel van zandgrond en eentje van klei, word je aangekeken alsof je net hebt gezegd dat je Mozart wel “best oké” vindt.

Terroir is inmiddels geen smaakbegrip meer. Het is een sociale test.
Een soort culinaire IQ-test waarbij het juiste antwoord altijd is: mmm ja, mineraliteit.

Maar wat doet dit met de mens?

Nou: burn-out.

De slowfoodie begint namelijk met goede bedoelingen. Hij koopt een gietijzeren pan. Hij gaat naar de markt. Hij praat met een boer die “nog écht werkt met de seizoenen”.
Drie weken later ligt hij huilend in de keuken, omdat de bouillon “niet diep genoeg” is en zijn kombucha-experiment naar voet ruikt.

Slow cooking is namelijk nooit alleen slow cooking.
Het is slow planning. Slow inkoop. Slow research. Slow fermentatie. Slow gniffelen wanneer iemand zegt dat hij rijst uit een pakje kookt.

En ondertussen gaat het leven gewoon door. Je hebt werk. Kinderen. Een partner. Mail. Belastingen. En dan moet je óók nog je ragout 6 uur laten pruttelen terwijl je “erbij blijft” want anders is het “geen slow food maar luiheid”.

Op een gegeven moment ben je niet meer aan het koken. Je bent aan het managen.

Ik hoorde laatst iemand zeggen:
“Ik ben dit weekend even offline, ik ga focussen op mijn miso.”

Prima. Volgend weekend ga ik focussen op mijn wasmachine.

De paradox is prachtig: slow food zou ons terugbrengen naar rust, eenvoud, verbinding.
Maar het heeft in veel keukens vooral geleid tot paniek in linnen schorten.

Mensen zijn zo bezig met langzaam eten, dat ze vergeten te leven.
Slow food is voor sommigen geen beweging meer, maar een religie met regels, schuld en zelfkastijding.

En toch… ik begrijp het ook wel. In een wereld die steeds sneller gaat, wil je iets dat traag is. Iets tastbaars. Iets dat ruikt naar comfort.

Maar hier is de waarheid die niemand op een houten plankje met krijtletters durft te zetten:

Eten moet je voeden. Niet uitputten.

Dus als slow food jou vooral fast burnout bezorgt, mag je best af en toe gewoon iets simpels koken.
Pasta. Soep. Een omelet.
Zonder dat het een spirituele reis hoeft te zijn langs de zeven lagen van je innerlijke terroir.

En als iemand daar iets van zegt; geef hem een hap.
Zeg: “Je proeft echt… de mineraliteit.”

En kijk hoe hij instemmend knikt.