Diergaarde Blijdorp in Rotterdam werkt aan de omschakeling van traditionele dierentuin naar een organisatie die actief bijdraagt aan natuurherstel. De Impact Rapportage 2026 laat zien hoe de dierentuin dat in de praktijk aanpakt. Van de aanplant van 155.000 bomen in Nepal tot genetisch onderzoek bij olifanten en de ontwikkeling van technologie tegen stroperij. Tegelijkertijd bevindt een deel van de projecten zich nog in de onderzoeks- of testfase.
Diergaarde Blijdorp wil met zijn Masterplan 2050 een grotere rol spelen bij de bescherming van bedreigde diersoorten en het herstel van hun natuurlijke leefgebieden. De organisatie richt zich daarbij niet alleen op dieren binnen de eigen dierentuin, maar ook op populaties en ecosystemen in het wild.
De Impact Rapportage 2026 beschrijft het derde jaar van een vijfjarig verandertraject. Blijdorp wil wetenschappelijk onderzoek, dierenwelzijn, educatie en internationale natuurbescherming sterker met elkaar verbinden.
De dierentuin heeft hiervoor tien zogenoemde impactsoorten geselecteerd. Rond deze soorten ontwikkelt Blijdorp kennis en projecten die moeten bijdragen aan hun voortbestaan.
Rode panda: 155.000 bomen in Nepal
Een van de concrete voorbeelden betreft de bescherming van de rode panda in Nepal. Deze bedreigde diersoort is afhankelijk van bergbossen die onder druk staan door ontbossing en menselijke activiteiten.
Volgens de impactrapportage heeft Blijdorp bijgedragen aan de aanplant van 155.000 bomen. Daarnaast ondersteunde de dierentuin de aanleg van vijf kilometer hekwerk en de aankoop van één hectare grond voor herstel van leefgebied.
De werkzaamheden moeten de leefomstandigheden van rode panda’s verbeteren en verdere aantasting van hun leefgebied tegengaan.
De aanplant van bomen vormt daarbij een eerste stap. Voor daadwerkelijk natuurherstel is ook van belang hoeveel bomen overleven, hoe het bos zich ontwikkelt en of de rode panda’s het herstelde gebied gaan gebruiken.
De genoemde aantallen beschrijven de uitgevoerde werkzaamheden. Ze geven nog geen volledig beeld van de ecologische resultaten op langere termijn.
Aziatische olifant: DNA-onderzoek voor bescherming
Bij de Aziatische olifant richt Blijdorp zich onder meer op genetisch onderzoek.
De dierentuin ontwikkelt samen met partners een onderzoeksinstrument waarmee wetenschappers genetische informatie van olifanten kunnen analyseren.
Dergelijke informatie kan helpen om populaties beter in kaart te brengen en inzicht te krijgen in genetische verschillen tussen groepen dieren. Dat is van belang voor beschermingsprogramma’s, omdat kleine en geïsoleerde populaties kwetsbaar kunnen worden door een gebrek aan genetische variatie.
Volgens Blijdorp hebben de eerste laboratoriumtesten veelbelovende resultaten opgeleverd.
Het instrument bevindt zich echter nog in ontwikkeling. De beschikbare informatie maakt nog niet duidelijk in hoeverre het onderzoek al heeft geleid tot concrete verbeteringen voor wilde olifantenpopulaties.
Neushoorns: technologie tegen stroperij
Ook bij de bescherming van neushoorns onderzoekt Blijdorp hoe technologie kan bijdragen aan natuurbescherming.
Samen met technologiepartner Smart Parks heeft de dierentuin een systeem getest dat kan worden ingezet in de strijd tegen stroperij.
Technologische hulpmiddelen kunnen natuurbeschermers ondersteunen bij het volgen van dieren en het signaleren van mogelijke bedreigingen. Vooral in grote natuurgebieden kan dergelijke informatie waardevol zijn voor de inzet van rangers.
De door Blijdorp onderzochte toepassing bevindt zich nog in een ontwikkelingsfase.
Daarom valt nog niet vast te stellen of het systeem daadwerkelijk leidt tot minder stroperij. Daarvoor zijn praktijkgegevens nodig over de betrouwbaarheid, inzetbaarheid en effectiviteit van de technologie.
Dwergnijlpaard: GPS-halsband voor onderzoek
Het dwergnijlpaard behoort eveneens tot de soorten waarvoor Blijdorp onderzoek uitvoert.
Samen met Wageningen University & Research en Smart Parks testte de dierentuin een prototype van een GPS-halsband.
Met dergelijke apparatuur kunnen onderzoekers informatie verzamelen over de bewegingen en het ruimtegebruik van dieren.
Voor het dwergnijlpaard is die kennis relevant, omdat de soort in het wild moeilijk te bestuderen is. De dieren leven voornamelijk in dichtbegroeide bosgebieden in West-Afrika.
Inzicht in hun leefgebied en gedrag kan helpen om beschermingsmaatregelen beter af te stemmen op de behoeften van de soort.
De ontwikkeling van de GPS-halsband vormt voorlopig een onderzoeksstap. De rapportage toont daarmee vooral hoe Blijdorp zijn kennis van dieren in gevangenschap wil inzetten voor onderzoek in het wild.
Madagaskar: gezamenlijk project voor miljoen bomen
Naast projecten rond afzonderlijke diersoorten neemt Blijdorp deel aan een gezamenlijk natuurherstelproject op Madagaskar.
Dertien Nederlandse dierentuinen werken samen aan een initiatief dat voorziet in de aanplant van één miljoen bomen.
Madagaskar kent een grote biodiversiteit met veel dier- en plantensoorten die nergens anders ter wereld voorkomen. Tegelijkertijd heeft het eiland te maken met verlies en versnippering van natuurlijke leefgebieden.
Het project moet bijdragen aan het herstel van aangetaste gebieden.
Het genoemde miljoen bomen betreft een doelstelling van het gezamenlijke initiatief. Dat betekent niet dat alle bomen al zijn geplant of dat Blijdorp deze aanplant zelfstandig uitvoert.
Voor de beoordeling van het project zijn uiteindelijk ook de overlevingskansen van de bomen, de keuze van inheemse soorten en de ontwikkeling van het ecosysteem van belang.
Samenwerking met natuurorganisaties en wetenschap
Blijdorp werkt voor zijn natuurherstelprojecten samen met onderzoeksinstellingen, universiteiten, natuurbeschermingsorganisaties en andere dierentuinen.
De organisatie noemt onder meer de samenwerking met WWF-NL, Wageningen University & Research en Smart Parks.
Volgens Carolien Ottjes, CMO van Blijdorp, vraagt de ontwikkeling naar een organisatie die aantoonbaar bijdraagt aan natuurherstel om voortdurende evaluatie.
Jeroen Kappelhof, directeur Conservation & Science, benadrukt het belang van de combinatie van wetenschappelijk onderzoek, praktijkkennis en de dieren- en plantencollectie van de dierentuin.
Blijdorp wil deze kennis niet uitsluitend binnen de eigen organisatie gebruiken, maar ook beschikbaar maken voor beschermingsprojecten in natuurlijke leefgebieden.
Resultaten en ambities blijven onderscheiden
De voorbeelden uit de Impact Rapportage 2026 laten zien dat Blijdorp verschillende vormen van natuurbescherming ondersteunt.
De projecten verschillen echter sterk in hun ontwikkelingsfase.
Bij de rode panda gaat het onder meer om concrete werkzaamheden in het leefgebied. Het genetische onderzoek bij olifanten en de technologische projecten rond neushoorns en dwergnijlpaarden bevinden zich nog geheel of gedeeltelijk in de testfase.
Het herbebossingsproject op Madagaskar kent bovendien een doelstelling waarvan de uiteindelijke resultaten pas op langere termijn kunnen worden beoordeeld.
Dat onderscheid is belangrijk. Een onderzoeksinstrument, een geplante boom of een nieuw samenwerkingsverband levert niet automatisch aantoonbaar natuurherstel op.
Daarvoor moet blijken of de projecten leiden tot gezondere populaties, betere leefgebieden en een duurzaam herstel van biodiversiteit.
Dierentuin zoekt nieuwe maatschappelijke rol
Met het Masterplan 2050 wil Blijdorp zijn werkzaamheden steeds nadrukkelijker verbinden aan internationale natuurbescherming.
Daarmee sluit de Rotterdamse dierentuin aan bij een ontwikkeling waarin dierentuinen zich naast publieksvoorzieningen ook profileren als centra voor onderzoek, educatie en soortbehoud.
De Impact Rapportage 2026 biedt voorbeelden van activiteiten die deze koers ondersteunen. De uitdaging voor Blijdorp ligt de komende jaren vooral in het aantonen van de effecten.
De vraag is niet alleen hoeveel bomen worden geplant of hoeveel onderzoeksprojecten worden gestart, maar vooral of bedreigde diersoorten en hun leefgebieden daar op lange termijn daadwerkelijk beter van worden.
