Kerstmis is geen feest. Kerstmis is een overlevingsstrategie met kaarslicht. Het is de jaarlijkse re-enactment van het Colosseum, maar dan met servetten, cranberrycompote en een oom die bij alles zegt: “Doe mij maar een zoete wijn, dat drinkt zo makkelijk weg.”

Daar sta je dan. In de keuken. Gewapend met een vleesthermometer, een Bourgogne die je met liefde hebt uitgezocht en het stille optimisme van iemand die nog gelooft dat beschaving mogelijk is. Aan de eettafel verzamelen zich ondertussen de strijders: ooms, tantes, schoonouders en aanhang. Allen overtuigd van hun eigen gelijk, vooral op culinair gebied, waar kennis en volume altijd omgekeerd evenredig zijn.
De kalkoen, of erger: de gevulde kalkoen, ligt als een weerloze barbaar op het aanrecht. Hij weet het nog niet, maar hij gaat dood voor de eer van iemand die een recept van Facebook heeft geplukt. “Hij moet vooral sappig blijven,” zegt tante Ria, terwijl ze voorstelt het beest nog anderhalf uur extra te laten cremeren. Veiligheid boven smaak. Romeinen deden niet anders.

Dan de wijn. Altijd de wijn. Je hebt iets moois meegenomen. Iets met spanning, zuren, een verhaal. Iets dat niet in de aanbieding was bij de supermarkt met kerstballen in het logo. Je schenkt voorzichtig in. Ruiken. Proeven. Stilte.
“Is-ie zoet?” vraagt oom Henk.
Nee Henk. Hij is droog. Kurkdroog. Zo droog dat hij je tandglazuur opvoedt. Maar je glimlacht. Want dit is kerst. En kerst is het moment waarop iedereen wijn herleidt tot twee categorieën: zoet (lekker) en zuur (niet te drinken, doe maar cola).
De schoonvader mengt zich in het gevecht. Hij neemt een slok, trekt een gezicht alsof hij net op een citroen heeft gebeten en zegt: “Ja, vroeger dronken we gewoon Liebfraumilch. Dat was pas wijn.” Dat was inderdaad wijn, in dezelfde zin dat een plastic kerstboom ook een boom is.

Aan tafel escaleert het verder. De saus is te dun. Of te dik. Of “anders dan vorig jaar”. De aardappels zijn “bijzonder”, wat in families altijd betekent: verdacht. Iemand begint over vegan kerst. Iemand anders over vroeger. Er wordt gesneden, geoordeeld en veroordeeld. De kalkoen wordt aangesneden met de theatrale overgave van een gladiator die weet dat de duim omlaag gaat.
En jij? Jij zit daar. Met je glas. Je denkt aan stilte. Aan een klein restaurant. Aan mensen die weten dat wijn niet zoet hoeft te zijn om vriendelijk te smaken. Je neemt nog een slok. De wijn houdt stand. Dat is al een overwinning.
Aan het einde van de avond zijn er slachtoffers. De kalkoen is droog. De wijn “wel oké, maar volgende keer iets zoeter”. Er is ruzie geweest over de vaatwasser. Iemand heeft gehuild. Iemand heeft gewonnen.
Kerst is geen harmonie. Kerst is een test. Een gladiatorengevecht waarin niemand echt wint, behalve misschien degene die het laatste glas inschenkt en zwijgt.

Volgend jaar doe ik raclette. Iedereen zijn eigen pan. Minder bloed. Zelfde chaos.
