Zeeland, waar de zeevruchten vers zijn en de lucht zoutig ruikt – of is dat de geur van milieuproblemen? Oesters, mosselen en de machtige Oosterscheldekreeft zijn al eeuwenlang de trots van de regio. Maar helaas, naast een vleugje ziltheid zit er tegenwoordig ook een snufje PFAS in. Net dat ingrediënt waar niemand om heeft gevraagd, maar blijkbaar tóch overal in zit. Gezellig.

PFAS (Per- en polyfluoralkylstoffen) zijn als die irritante gasten op een feestje: ze komen overal binnen, blijven plakken en gaan nooit meer weg. Hoe ze in onze zeevruchten terechtkomen? Simpel: wij maken ze, gebruiken ze en lozen ze, en vervolgens spelen mosselen en kreeften onbedoeld voor vuilnisbak. Handig, toch? Zo kunnen we bij elke hap een klein beetje chemische nostalgie proeven.

Voor vissers en kwekers in Zeeland voelt dit als een slecht getimede plensbui op een perfect georganiseerde barbecue – en dan niet zo’n verfrissend zomerbuitje, maar een plensbui waarbij de tent omwaait en de barbecue in de sloot belandt. Hun producten, jarenlang geprezen om hun pure, zilte smaak, dreigen nu het imago te krijgen van een luxe variant op industrieel afval. En de consument? Die mag kiezen: een bord fruits de mer of een klein experiment voor de wetenschap. “Kan ik de kreeft zonder PFAS krijgen?” – “Nee, maar we kunnen er een extra schijfje citroen bij doen om de smaak een beetje te maskeren.”

Wat nu? Experts pleiten voor strengere regelgeving en een aanpak bij de bron. Geweldig idee, als we er niet al decennia over zouden praten zonder veel resultaat. Gelukkig werken onderzoekers aan methodes om PFAS uit water en voedsel te filteren, dus met een beetje geluk kunnen onze achterkleinkinderen ooit weer zorgeloos een mossel eten. Tot die tijd? Gewoon met mate genieten en hopen dat we niet per ongeluk een glow-in-the-dark-effect ontwikkelen.

Toch blijft de liefde voor de Zeeuwse keuken onverminderd groot. Chefs en producenten zoeken naar eerlijke en verantwoorde manieren om hiermee om te gaan. Misschien is het tijd om niet alleen de herkomst van onze zeevruchten te waarderen, maar ook eens kritisch te kijken naar wat we nou eigenlijk in ons milieu dumpen. Want laten we eerlijk zijn: een Oosterscheldekreeft moet vooral smaken naar de Oosterschelde – en niet naar de inhoud van een fabriekspijp.