Dit is een expertquote via ANP Expert Support Rembrandt Groenewegen
Verkeersboetes moeten weer in verhouding staan tot de ernst van de overtreding. Bestuurders erkennen vaak hun fout maar begrijpen steeds vaker de hoogte van de boete niet. Zeker bij kleinere overtredingen voelt een bedrag van honderden euro’s buitenproportioneel. Boetes moeten dus niet klakkeloos meestijgen met inflatie, maar juist als geheel opnieuw bekeken worden. Alleen op die manier komt er draagvlak voor verkeersregels en de rechtsgang in plaats van frustratie.
Rechtspraak onder druk
Op dit moment vertaalt frustratie zich steeds vaker naar verzet en beroep, puur gericht op de hoogte van het geldbedrag van de boete. Daardoor raakt de rechtspraak extra belast. Procedures kosten capaciteit en geld, terwijl het strafbare feit zelf vaak niet ter discussie staat.
Lange doorlooptijden met gevolgen
In de praktijk duurt het bovendien lang voordat zaken inhoudelijk worden behandeld. Bestuurders worden soms pas na één tot twee jaar opgeroepen om voor de rechter te verschijnen. Juridisch is dat toegestaan, maar het effect is zichtbaar: rechters zijn in veel gevallen eerder geneigd om de sanctie te matigen. Dat betekent dat het boetebedrag wordt verlaagd enkel omdat de zaak al die tijd nog niet is afgehandeld, terwijl het strafbare feit wél is gepleegd.
Tijd voor een eerlijker systeem
Het huidige stelsel schiet daarmee zijn doel voorbij. Boetes moeten beter aansluiten op de ernst van de overtreding. Lichte overtredingen vragen om een lichtere aanpak. Zware overtredingen, zoals rijden onder invloed, telefoongebruik, hoge snelheidsovertredingen of zonder rijbewijs rijden, verdienen juist stevige sancties. Alleen dan voelen boetes rechtvaardig.
