Ik heb eindelijk weer tijd om columns te schrijven. Enige tijd geleden onderging ik in verband met mijn prostaatkanker een PET-Scan. Gelukkig waren mijn zusjes die mantelzorger zijn, mee. De scan zelf stelde niet veel voor en was ook niet eng. (Tenzij je claustrofobie heb). Mijn zusjes hielpen me als chauffeur en om me gezelschap te houden. Het kost je namelijk bijna de hele dag. Alleen al het in je lichaam verspreiden van een radioactief contrastmiddel duurt een vol uur. Daarna een dag tot mezelf komen en uitrusten, zeg maar: ‘in mijn bed blijven hangen’.
Woensdag heb ik de reeds gemaakte microscoopfoto’s bij elkaar gezocht. Vreemd genoeg kon ik ze op de laptop en op de externe back-up (Verbatim) niet vinden. Op zich niet erg, als ik ze echt kwijt was betekende dat nieuwe preparaten maken. Maar ja, dat kost tijd, veel tijd, hoe leuk ik het ook vind. Opeens kreeg ik een ingeving: “Kijk eens op de microscoop USB-stick!” Daar waren ze! Ik had ze nog niet geupload. Vergeetachtigheid hoort bij ouder worden, nietwaar?
.
Wie een paddenstoel gedetermineerd wil hebben weet het. Vraag het aan mij en ik ga aan de slag. Vooral als het paddenstoelen betreft die onder de microscoop moeten worden onderzocht. Het is al februari, ook het winterseizoen is al bijna voorbij. Wat er nu overblijft aan paddenstoelen is voor de doorgewinterde liefhebber. Kleine, nauwelijks zichtbare zwammetjes, vooral op takjes en bladeren, meestal op de bladstelen. Zo stuurde Paulien Bruné van mijn paddenstoelengroep een vraag of ik dit paddenstoeltje voor me op naam wilde brengen. Stuur het materiaal maar op, riep ik enthousiast. Zo gezegd, zo gedaan. Het takje kwam veilig door de brievenbus.

Door de geringe grootte gaat het materiaal niet snel kapot. Niet dat dat erg is, de microscopische kenmerken blijven toch intact. Zelfs als de paddenstoel in post geplet is, iets dat me geregeld overkomen is. Gelukkig was er een macrofoto bij, zodat ik meteen zag dat het een franjekelkje betrof. Op het takje zitten kleine witte puntjes, ternauwernood zichtbaar met het blote oog, goed dat de macrofoto het verduidelijkte. . Op het takje zat ook een zwart korstje. “Ha”, zei ik meteen, “er zitten twee soorten op! Een bonus voor je, Paulien!” Ik had Paulien al de naam gestuurd, het witbruin franjekelkje, om haar niet te lang te laten wachten. Ze vroeg namelijk om foto’s erbij, maar daar kwam telkens iets tussen, vooral de Olympische Spelen en dan met name het hardrijden op de schaats, waarvan ik überhaupt geen wedstrijd op de tv van oversla.
Zodra het materiaal binnen is, maak ik er zo snel mogelijk preparaten en foto’s van. Het materiaal bewaar ik ondertussen in de koelkast. Ik denk dat mijn zusjes daarvan gruwen. Daar kan ik trouwens gruwelverhalen over vertellen van wat de conservator zoogdieren op Naturalis in de koelkast van de kantine zette. Ga Ik nog eens doen.
Als ik er aan toe ben dan op naar de studeerkamer, mijn paddenstoelenlaboratorium, te beginnen met een halve dag van tevoren het radiatortje dat er staat aanzetten!

Onder de prepareermicroscoop (binoculair in studentenjargon) een preparaat maken. Dat klinkt ingewikkelder dan het is. Je snijdt een stukje van ten hoogste 4 mm van het sporenvormende oppervlak, het hymenium, af. Dat doe je op een objectglaasje. Vervolgens een inbedmedium erop, dat tevens kleurstof is. Ik gebruik standaard Melzer’s reagens (Jodium-kaliumjodide), dat ook zetmeel aantoont. Vervolgens een dekglaasje er op en met je wijsvinger platdrukken. Dat heet een pletpreparaat. Opletten dat er geen zandkorreltje bij zit, dekglaasjes zijn flinterdun en breken direct op een zandkorreltje, hoe klein dan ook. Dan onder de microscoop, waar een Bresser microscoopcamera op kan worden gezet, de preparaten bekijken en de mooiste uitkiezen voor een foto. Helaas was de Bresser microscoopcamera toen alleen 16 bits te verkrijgen. Gelukkig had ik nog een oude 16 bits desktop. Daar sla ik de foto’s op, die ik vervolgens met een USB-stick beneden op de laptop kan bekijken en bewerken. Bewerken houdt niet meer in dan een mooie uitsnede maken en het geheel wat lichter maken, dat kijkt prettiger.

Maar ter zake. Ik had macroscopisch al gezien dat het franjekelkjes, genus Lasiobelonium zijn. Er zijn vijf soorten Lasiobelonium in Nederland. Aan de hand van het microscoop onderzoek kom ik uit op Lasiobelonium variegatus, het witbruin franjekelkje. Het komt verspreid voor door het hele land.

Op internet zijn veel foto’s van deze soort, vooral veel microscopische kenmerken. Verder heb ik geraadpleegd: Thomas Lessꭂ & Jens A. Petersen, Fungi of Temperate Europe deel 2, pagina 1377 en Peter L. Thompson, Ascomycetes in Colour. Found en photographed in Mainland Britain, pag. 132, nr. 246.
Extraatje voor Paulien: Het zwarte korstje is een myxomyceet of slijmschimmel. Dat zag ik direct, ik heb de laatste tijd er veel van bekeken. In het preparaat zaten veel sporen, maar alleen op sporen determineren is een opgave. Verder dan het genus Didymium kom ik niet. Maar ik ben aan een column over myxomyceten bezig naar aanleiding van een vondst van Laurens van der Linden.
