Met de tweedejaars studenten Biologie gingen we ieder jaar op Excursie naar Zuid-Limburg. Een week voorexcursie, lees: ‘lekker uit eten gaan op kosten van de Universiteit’, met de assistenten, dan een week planten en een week dieren herkennen in het veld voor de studenten. Ik assisteerde de dierenweken. Het was mijn vakantie, ik genoot er met volle teugen van. Sowieso vond ik (en vind ik, maar ik ben helaas niet meer mobiel) biodiversiteit onderricht buiten in het veld heel belangrijk en heel erg leuk! We bivakkeerden in kasteel Rijckholt bij Maastricht, een primitieve maar prachtlocatie. Het was toen een jongerenhotel. Een privéonderneming, geen jeugdherberg. Nu is het een peperduur en luxe conferentieoord.

Kasteel Rijckholt.

Later werd ik docent op het Biologisch Werkkamp voor het Onderwijs. Ook daarmee gingen we geregeld naar Zuid-Limburg. Dat was kamperen, in tenten. (Sta)caravans en kampeerbusjes waren niet toegestaan. Terecht, omdat het half wildkamperen betrof in natuurgebieden, met toestemming, of op boerenerven. Maar ook hartstikke leuk.

Een van de gebieden die we in beide gevallen uitgebreid bezochten was de Voerstreek in België. Genoemd naar het riviertje de Voer dat er doorheen stroomt. Toen al een discutabele regio, gezien de niet aflatende taalstrijd. Maar hier drie talen: behalve Nederlands (geen Vlaams) en Frans (Waals) ook Duits. Ik leerde er overigens als eerste een woord dat tot geen van de drie talen behoort: een Sjoesj! Als op zondagmorgen de kerk uitging doken alle gelovigen de kroeg in en dronken één of twee Sjoesj’s (of meer) voor men naar huis ging. Een half glas oud bruin aangevuld met pils. Weinig alcohol dus! Nu ook verkrijgbaar in fles, maar dat is natuurlijk niet echt! De kroeg was uiteraard direct naast de kerk… Ooit zei een student tegen me tijdens een bloedhete wandeling: “Ik begin te snakken naar een koel biertje”. “Ik ook:”, was mijn antwoord, “zoek jij de eerste de beste kerktoren op, dan maak ik mijn verhaal af”. Hij zei heel verbaasd: “hoe zo de kerktoren?”. Hij kwam duidelijk uit de Randstad. “We zijn hier in het zuiden van Nederland, waar de kerk is, daar is de kroeg”, was mijn repliek. Dat had mijn vader me als tiener al geleerd.

Iets dergelijks gebeurde ook een jaar eerder. Een student zag een terrasje waar we langsliepen en zei: “Hans, zullen we hier even een biertje drinken?” “Nee”, antwoordde ik, “Ik moet mijn verhaal afmaken, maar dan komen we bij een heel mooi terras, want ik heb er ook wel zin in!” Na een uur kwamen bij een heel mooi terras en ik ging als eerste onderuitgezakt aan een tafeltje in de zon zitten. We bestelden een drankje en de student die een uur eerder voorstelde een biertje te gaan drinken liet opeens bijna zijn glas uit zijn handen vallen en riep woedend tegen me: “Maar dit is hetzelfde terras als een uur geleden!” “Ja”, kaatste ik terug, “Maar als we op dat moment hier waren neergestreken dan waren we niet meer vooruit te branden geweest en had ik mijn verhaal niet af kunnen maken. En daar zitten toetsvragen in verwerkt!”

Toen we eens in de Voerstreek fietsten viel mijn oog op alle op het wegdek gekalkte letters ‘FW’ of volledig uitgeschreven ‘Fourons Wallon’, die er het jaar daarvoor niet waren. Het was het begin van een lange taalstrijd, die nog steeds niet afgelopen is. “Goh”, zei ik tegen de student die naast me fietste met een dikke grijns: “Wat is de voetbalclub hier populair!” Ik denk dat mijn grijns hem op het juiste spoor bracht. Hij antwoordde na vijf minuten mij met gelijke munt terugbetalend: “Nee Hans, je vergist je, het is de schietvereniging”.

Een paar dagen later waren we in Eupen, een Duitse stad die als herstelbetaling aan België geschonken is na de Eerste Wereldoorlog. Overal hingen pamfletten en waren stickers geplakt met: ‘Non à la Germanisation dans la Wallonie Malmédienne’. Ik peuterde een sticker van een lantaarnpaal en plakte die op mijn fotokoffer. Opeens werd ik op mijn schouder getikt door iemand die me keurig in het Nederlands zei: “als ik u was zou ik uw fotokoffer maar omdraaien zo dat de sticker niet te zien is.” Hij had duidelijk door dat het van mij niet serieus was en begreep dat ik een Nederlandse toerist was die onbekend was met deze sluimerende burgeroorlog!  Ik heb de sticker er maar weer van af gepeuterd en pas terug in Nederland weer op de koffer geplakt, waar hij nog jaren op gezeten heeft, tot ik dat te oubollig vond, al die van lantaarnpalen en andere zaken geplukte stickers!

De reden waarom we naar de Voerstreek gingen was, dat waar de Voer Nederland binnenkomt, zinkmijnen waren, voor de zinkwitfabriek in Eijsden. Nu allemaal gesloten, want ze zijn niet rendabel meer. Maar er zit nog genoeg zink in de grond. De afvalhopen van de zinkmijnen vervuilden de grond zo erg dat de planten die er groeien zich ontwikkelden tot morfologisch duidelijk verschillend van de oorspronkelijke voorouders, zoals het Engels gras, het driekleurig viooltje etc. Het driekleurig viooltje kreeg zelfs een eigen wetenschappelijke en Nederlandse naam: Zinkviooltje, Viola calaminaria. Waar de Voer Nederland binnenstroomt heet het dorp op zijn Duits Kelmis en op zijn Frans La Calamine, waar u direct de naam ‘calaminaria’ in herkent! Ook wordt de naam Neu Moresnet nog veel gebruikt voor het hele dorp. Neu Moresnet bestaat uit drie dorpskernen, dankzij het gekonkel over de landsgrenzen na de Eerste en Tweede Wereldoorlog: Moresnet, Kelmis en La Calamine!

Het zinkviooltje is ernstig bedreigd. Niet door plukken of uitgraven. Net over de grens is er in België een grote camping met stacaravans en waren de voortuintjes daarvan beplant met tuinviolen. Ook tuinviolen hebben als voorouder het driekleurig viooltje en kruisen dus volop met de zinkviooltjes! Op die manier dreigt het zinkviooltje uit te sterven. Ik meen dat het planten van tuinviolen op de camping daar niet meer toegestaan is!

Als ik zou willen zou het verhaal zeker drie keer zo lang worden, maar deze verhaaltjes wil ik u niet onthouden: ik stond een keer op het station van Luik en moest heel nodig plassen. Ik had alleen Nederlandse munten en grote coupures Belgisch papiergeld bij me. Ik zei tegen de vrouw van de retirade dat ik geen Belgische munten kon geven want die had ik niet. Ik spreek Frans niet goed genoeg, maar de scheldpartij die er op volgde kon ik uitstekend volgen, ook omdat ze dat deels in het Nederlands deed! Ik betaalde met mijn Hollandse munten, ik meen zelfs met een 5 gulden munt en ging naar de wc, wel na keihard in de lach geschoten te zijn: de toiletjuffrouw deed direct haar klep dicht en viel op het muntstuk aan alsof ze bang was dat het voor haar neus gestolen zou worden. U weet waar u vals en echt Belgisch papiergeld aan kan herkennen? Ook dat leerde mijn vader me. Niet aan het watermerk, maar aan het minieme gaatje in het midden van het biljet bij echte biljetten, afkomstig van de gewoonte van Belgen om bankbiljetten bij elkaar te houden met een speld! Te zien als je de biljetten tegen het licht houdt!

Misschien een beetje vreemd verhaal nu met de Gaza perikelen. De conservator Mollusca van Naturalis, Edy, ging een keer met een Israëlische collega slakken verzamelen bij Vaals, nog net Voerstreek, maar in Nederland. Ik ging mee als gids. Edy vertelde bij alle slakken die hij in een zakje deed: nieuw vindplaatsetiket maken, we lopen nu in Duitsland, vervolgens: nieuw vindplaatsetiket maken, we lopen nu in België. De Israëli denkt vermoedelijk nog dat hij voor het lapje gehouden werd. Voor hem bestonden grenzen uit prikkeldraad en landmijnen!

Een groepje entomologen, leden van de Nederlandse Entomologische Vereniging zag een keer een bijzondere kever aan de Belgische kant van de grenspaal bij Vaals. Ze hebben net zo lang met zakdoeken zitten wapperen tot hij aan de Nederlandse kant zat en toen verzameld, de eerste vondst van deze kever in ons land.

Entomologen vind je in alle lagen van de bevolking. Zo was er voor de tweede wereldoorlog een hoge landmachtsofficier die luchtafweerschijnwerpers regelde en op de Vaalserberg liet plaatsen. Zo werden er ’s nachts op het licht tientallen insecten gelokt tot diep uit de Ardennen, het merendeel nieuwe soorten voor Nederland!