Het Nederlands Openluchtmuseum heeft een bijzondere schenking ontvangen: een uitzonderlijk goed gedocumenteerde collectie modepoppen met een uitgebreide garderobe van handgemaakte kleding uit circa 1964–1970. Het ensemble omvat onder meer originele Barbie-poppen, een Bild Lilli en twee Petra von Plasty-poppen, allemaal tijdgenoten uit de vroege periode van de modepop.

De collectie onderscheidt zich niet door het aantal poppen, maar door de enorme hoeveelheid zelfgemaakte kleding, accessoires, meubels en documentatie. Samen vertellen ze een verhaal over creativiteit, mode en het dagelijks gezinsleven in Nederland in de jaren zestig.

Modeatelier op zolder

De meeste kledingstukken werden gemaakt door Geertruida de Groot-Weelink (1922–1974), een professioneel coupeuse, samen met haar dochters Jenny en Emmy de Groot. In plaats van steeds nieuwe poppen en fabriekskleding te kopen, koos het gezin voor een creatieve aanpak: stoffen, patronen en trends werden vertaald naar miniatuurmode.

Op de zolder van het huis stond een Barbiehuis, opgebouwd uit gestapelde sinaasappelkistjes. Daar speelden de zussen, samen met een buurmeisje, hele verhalen met hun poppen. Toen later werd verhuisd, verdween de speelruimte, maar het maken van kleding ging nog door. Voor Emmy de Groot, die tot haar veertiende Barbiekleding maakte, werd het een belangrijk creatief uitlaatklep.

Modegeschiedenis in miniatuur

De garderobe weerspiegelt de modeontwikkelingen van eind jaren vijftig tot eind jaren zestig. In de collectie zijn onder meer te vinden:

  • jurken geïnspireerd op de New Look van Christian Dior
  • grafische outfits met op-art patronen
  • gebreide mantelpakjes en babydoll-jurkjes
  • sportkleding en zelfs een – destijds hippe – skibroek
  • vroege voorbeelden van positiekleding

Ook interieuraccessoires ontbreken niet: van zelfgemaakte meubels tot een klein pitriet broodmandje dat destijds een trendy item in Nederlandse huishoudens was.

Restlapjes en hergebruik

Veel kleding is gemaakt van reststoffen uit het atelier van moeder De Groot-Weelink. Als coupeuse beschikte zij over hoogwaardige materialen van klantopdrachten. Overgebleven lapjes werden zorgvuldig bewaard en hergebruikt voor poppenmode.

Daarnaast werden alledaagse materialen creatief ingezet: kindersokjes werden topjes, een horlogegesp werd een riemsluiting en luciferdoosjes vormden het basismateriaal voor meubels. Die aanpak past bij de zuinigheid en inventiviteit van de naoorlogse periode.

Zorgvuldig gedocumenteerd

De schenking is uitzonderlijk goed vastgelegd. Naast de poppen en kleding bevat de collectie patronen, foto’s van gezinsleden die kleding dragen van dezelfde stoffen en uitgebreide documentatie. Emmy de Groot, later textielrestaurator, heeft het geheel zelf gesorteerd, beschreven en geconserveerd.

Barbie als cultureel icoon

De modepop Barbie werd op 9 maart 1959 geïntroduceerd tijdens de New York Toy Fair door het bedrijf Mattel. Het ontwerp was geïnspireerd op de Duitse Bild Lilli-pop. Wereldwijd bezitten musea Barbies met originele fabriekskleding, maar de Arnhemse schenking valt op door haar nadruk op zelfmaakcultuur en familiegeschiedenis.

De collectie laat zien hoe internationale modetrends hun weg vonden naar een Nederlands huishouden – niet via couturehuizen of modebladen, maar via naaimachine, restlapjes en een flinke dosis verbeelding.